16 Vlaamse ziekenhuizen zoeken volgens de methodiek van klinische paden naar optimale kwaliteit
Titel artikel: 16 Vlaamse ziekenhuizen zoeken volgens de methodiek van klinische paden naar optimale kwaliteit
Auteur(s): Kris Vanhaecht, Bernard Spitz, Walter Sermeus, Liesbeth Van Kelst, Yves Giebens
Jaargang/nr: 9/1
« Overzicht zoekresultaten
Samenvatting
Kris Vanhaecht is verpleegkundige, licentiaat medisch sociale wetenschappen en wetenschappelijk medewerker klinische paden aan het Centrum voor Ziekenhuis- en Verplegingswetenschap, KULeuven. Hij is deeltijds werkzaam als stafmedewerker algemene directie binnen de Universitaire Ziekenhuizen Leuven. Bernard Spitz is gynaecoloog, hoogleraar binnen de faculteit Geneeskunde van de KULeuven en kliniekhoofd binnen de Universitaire Ziekenhuizen Leuven. Hij is voorzitter van de werkgroep verloskunde van het Netwerk Klinische Paden. Walter Sermeus is verpleegkundige, doctor in de maatschappelijke gezondheidszorg, master in biostatistics en hoogleraar aan het Centrum voor Ziekenhuis- en Verplegingswetenschap, KULeuven. Hij is coördinator van het Netwerk Klinische Paden. Liesbeth Van kelst is vroedvrouw, licentiaat medisch sociale wetenschappen, verpleegkundig specialist verloskunde - gynaecologie binnen de UZ Leuven en docent aan de Katholieke Hogeschool Leuven. Zij is als klinisch expert verbonden aan de werkgroep verloskunde van het Netwerk Klinische Paden. Yves Giebens is verpleegkundige, gerontoloog en wetenschappelijk medewerker klinische paden aan het Centrum voor Ziekenhuis- en Verplegingswetenschap, KULeuven.
Het bieden van hoge kwalitatieve zorg met oog voor kostenbeheersing is dé uitdaging voor de gezondheidszorg. Voor de meeste vrouwen verloopt het postpartum zonder problemen, nochtans ervaart de kraamvrouw gedurende het postpartum vele normale, doch potentieel gevaarlijke fysiologische en psychologische veranderingen (Verheggen et al., 2001). De cijfers van het S.P.E. (Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie) tonen dat ernstige verwikkelingen in Vlaanderen weinig voorkomen (Aelvoet et al., 2000). Wat betreft de mildere postnatale morbiditeit, vindt men geen gegevens. In de literatuur vinden we eveneens weinig wetenschappelijke onderzoeken over de postpartumperiode en de kwaliteit van de zorg gedurende deze periode (Janssens et al., 2002). Onderzoek over het normale postpartum richt zich voornamelijk op het fysieke aspect en dit komt tot uiting in het opstellen van protocollen en postpartumzorgrichtlijnen met betrekking tot de observatie van deze fysiologische adaptatie. Het ontstaan van deze richtlijnen berust voornamelijk op gewoonten en niet op wetenschappelijke evidentie. Onderzoek van Glazener e.a. (1995) toont dat 85 % van de patiënten (n=1249) over tenminste één gezondheidsprobleem in het vroege postpartum ( 0-13 dagen) klaagt. De meest voorkomende klachten zijn vermoeidheid (42%) en een pijnlijk perineum (42%). In mindere mate borstklachten (21% bij kunstvoeding en 33% bij borstvoeding), obstipatie (19%) en hemorroïden (17%). Uit dit onderzoek bleek ook dat er een verband bestaat tussen pariteit en morbiditeit. Primiparae hebben significant meer klachten dan multiparae. Zij rapporteren meer last van het perineum. Er werd ook een verband aangetoond tussen de bevallingswijze en morbiditeit. Een normale bevalling en sectio gaven significant minder klachten dan een kunstverlossing. Zo komen een pijnlijk perineum, obstipatie en hemorroïden meer voor bij gebruik van een ventouse of forceps. Een mildere postnatale morbiditeit geassocieerd met een bevalling is dus wellicht een niet te minimaliseren probleem. Bijkomend blijkt uit de MKG-registratiegegevens van 1997 dat een normale bevalling zonder complicatie goed is voor 5,7% (71.477) van alle ziekenhuisverblijven (Janssens et al, 2002).
Vanuit de literatuur, studies in het kader van licentiaatthesissen medisch sociale wetenschappen en projecten binnen het Netwerk Klinische Paden (Sermeus et al., 2001, Sermeus et al., 2002) is het duidelijk dat de populatie "postpartumzorg na normale vaginale bevalling" in aanmerking komt voor de ontwikkeling van een klinisch pad (Sermeus et al., 2002, Vanhaecht et al., 2002).
Een klinisch pad is een procesbeheersingsmethode voor de klinische zorg, met als doel klinische outcome, service, proces, financieel bilan en teamwerking te verbeteren (Vanhaecht et al., 2002). Voor het Netwerk Klinische Paden heeft dit geleid tot volgende definitie: "Een klinisch pad is een verzameling van methoden en hulpmiddelen om de leden van het multidisciplinair en interprofessioneel team op elkaar af te stemmen en taakafspraken te maken voor een specifieke patiëntenpopulatie. Het is een concretisering van een zorgprogramma met als doel kwalitatieve en efficiënte zorgverlening te verzekeren. Het is een middel om een patiëntgericht programma op een systematische wijze te plannen en op te volgen " (Netwerk Klinische Paden, 2001). Het Vlaams - Nederlands Netwerk Klinische Paden (Sermeus et al., 2002) is opgestart in maart 2000. Bij de start waren acht algemene ziekenhuizen geïnteresseerd. In november 2002 is het Netwerk aangegroeid tot 33 ziekenhuizen, waaronder 1 Duitstalig en 7 Nederlandse ziekenhuizen. De 25 Vlaamse ziekenhuizen vertegenwoordigen meer dan 50% van de Vlaamse ziekenhuiscapaciteit.
Naast een aantal opleidingsmodules, intervisiemoment en projecten zijn momenteel twee klinische werkgroepen actief (werkgroep acute beroertezorg en werkgroep verloskunde) en is een derde klinische werkgroep in opstart (werkgroep orthopedie).
« Overzicht zoekresultaten
Volledig artikel
Lees het volledige artikel » (enkel voor leden)
« Overzicht zoekresultaten
|
Evidence based midwifery
Diversiteit en evidence based: een perfecte match?
Nieuwsbrief
Wil je onze tweewekelijkse elektronische nieuwsbrief ontvangen, stuur dan een mailtje naar communicatie@vlov.be
|