join Facebook group

login:
paswoord:

Onderzoek naar de voedingssituatie van jonge kinderen in Vlaanderen

Titel artikel: Onderzoek naar de voedingssituatie van jonge kinderen in Vlaanderen

Auteur(s):

Jaargang/nr: 9/2

« Overzicht zoekresultaten

Samenvatting

Bewerking: Lisette Geerdens
Kind en Gezin heeft aan SEIN een onderzoeksopdracht gegeven om de voedingssituatie van jonge kinderen in Vlaanderen in kaart te brengen. Rapport hiervan werd gepubliceerd in 2002 en is integraal terug te vinden op de website van Kind en Gezin onder recente rapporten, alsook de samenvatting van het rapport. Wij pikten eruit wat voor vroedvrouwen interessant kan zijn. Bovendien is het goed deze site eens te bezoeken voor andere relevante informatie.

Algemene conclusie en aanbevelingen
Algemeen stellen we dat het met de voedingssituatie van jonge kinderen in Vlaanderen goed tot zeer goed gesteld is. De meeste ouders zijn op de hoogte van de voedingsrichtlijnen en volgen ze ook. Situaties waarin de voedingssituatie ernstig afwijkt van de voedingsrichtlijnen kunnen zeker uitzonderingen genoemd worden.
Deze vaststelling neemt echter niet weg dat er nog ruimte voor verbeteringen overblijft. Enkele nieuwe objectieven kunnen de zwakke plekken in de voedingssituatie aanpakken. Deze paragraaf zet kort deze objectieven op een rij. Ze bestaan enerzijds uit de objectieven die de projectgroep "algemeen voedingsbeleid" van Kind en Gezin al naar voor schoof (1-6) en anderzijds uit onze voorstellen voor nieuwe objectieven (7-15).

1. Het aantal starters met borstvoeding verhogen & mentaliteitsverandering teweegbrengen.
Om het aantal ouders dat met borstvoeding start te verhogen is vooral informatie nodig omtrent de voordelen van borstvoeding. Dit leidt tot een sterkere motivatie om te starten en vol te houden. Het kanaal van de informatiesessies is echter onvoldoende bekend en heeft weinig invloed op de keuze van de startvoeding. De folders van kind en gezin worden in de zwangerschap nog niet vaak geraadpleegd. Bovendien nemen zeven op tien ouders de keuze van de startvoeding vóór de zwangerschap. Het is daarom van belang meer energie te steken in het creëren van een algemeen maatschappelijk borstvoedingsklimaat waardoor potentiële ouders al vroeger over (borst)voeding geïnformeerd worden. Daarnaast moeten inspanningen gebeuren om het verschil van 7,5% tussen het percentage ouders dat vooraf de intentie heeft om borstvoeding te geven en het percentage kinderen dat op de zesde levensdag effectief borstvoeding krijgt, te verkleinen. Het tijdsverloop tussen de geboorte en de eerste borstvoeding moet beperkt worden, ook bij keizersneden. Daarnaast moet men ervoor waken om bij problemen bij het kind in de eerste week niet automatisch te veronderstellen dat dit probleem voortkomt uit de voeding.

2. Exclusieve borstvoeding op drie maanden doen toenemen.
Het borstvoedingspercentage op drie maanden kan enerzijds verhoogd worden door voldoende informatie en begeleiding. We benadrukken dat de informatie over borstvoeding vooraf niet te rooskleurig mag zijn. Dan haken moeders af omdat de borstvoeding "tegenvalt". Anderzijds moet de bijvoeding verminderd worden. Hier kan Kind en Gezin zich best richten op een specifieke doelgroep die vaker bijvoeding geeft.

3. Vitamine K-supplement
De regioverpleegkundigen die huisbezoeken doen, kunnen informeren naar de vitaminesuppletie en eventueel bijsturen. Daarnaast stellen wij ons de vraag of er in de informatiesessies en de borstvoedingsbrochure voldoende aandacht is voor vitaminesuppletie.

4. Het aantal starters met vaste voeding tussen vier en zes maanden verhogen
28% van de ouders start vroeger met lepelvoeding dan vier maanden en 1% start later. Kind en Gezin is de belangrijkste adviseur bij de start van lepelvoeding maar het is onvoldoende op de leeftijd van vier maanden de ouders aan te raden om te starten met vaste voeding. Het blijkt vooral van belang ouders vroeg genoeg aan te raden niet te vroeg te starten.

5. Aantal wijzigingen in de kunstvoeding beperken
We herhalen dat problemen bij de zuigeling niet automatisch toe te schrijven zijn aan de voeding. Al te vaak en al te vlug worden voedingswijzigingen voorgesteld of doorgevoerd zonder grondige reden. Kind en Gezin kan hier een oogje in het zeil houden.

6. Vet toevoegen aan de groentepap
Op de leeftijd van 6 maanden voegt 29% van de ouders nooit een vetstof toe aan de groentepap. Op 12 maanden is dat nog steeds 22%.

7. Borstvoeding op vraag afzwakken
Wij stellen ons de vraag of een zo rigide vasthouden aan borstvoeding op vraag nodig is. Dit onderzoek leerde dat kinderen minder vaak voldaan zijn na de voeding en moeders vaker 's nachts moeten voeden. Wij stellen voor de richtlijnen licht af te zwakken.

8. Combinatie borstvoeding en kinderopvang promoten
Al te vaak vinden ouders dat het borstvoedingsproces en de hervatting van de arbeid onverenigbaar zijn. Onze huidige maatschappij maakt een combinatie inderdaad moeilijk. Dit neemt niet weg dat er werk moet blijven gemaakt worden van een gunstig borstvoedingsklimaat, ook op de werkplek en in de kinderopvang.

9. Tegemoetkomen aan de behoefte aan informatie op 3 maanden
Op de leeftijd van 3 maanden vindt één ouder op vier van een eerste kind dat hij over onvoldoende informatie beschikt over voeding voor een kind van 3 maanden. Er moet nagegaan worden aan welke informatie een gebrek is om hierop in te spelen.

10. Yoghurt en plattekaas mogen niet leiden tot een te grote eiwitinname
De aanbevolen melkhoeveelheid voor zuigelingen ouder dan 6 maanden bedraagt gemiddeld 500ml opvolgmelk. Een grotere inname of het extra geven van yoghurt of plattekaas zal leiden tot een te grote eiwitinname, wat een mogelijk risico voor latere obesitas kan inhouden. Het invoeren van yoghurt en plattekaas bij zuigelingen, die voldoende borstvoeding of opvolgmelk drinken, moet dus vermeden worden.

11. Adequate melkvoeding op 12 en 24 maanden
Eén op tien kinderen van één jaar drinkt halfvolle melk. Minstens 25% van de tweejarigen krijgt geen aan de leeftijd aangepaste melk meer. Het gebruik van halfvolle melk is hoog en op deze leeftijden af te raden.

12. Duidelijkheid over wat en wanneer gluten
Veel ouders zijn niet op de hoogte van wat gluten zijn en tot welke leeftijd zij af te raden zijn in de voeding.

13. Gaan slapen met de papfles verminderen
Eén op tien kinderen van één jaar in Vlaanderen gaat elke avond met de papfles naar bed. Om tandbederf te vermijden is het terugdringen van het gaan slapen met de papfles.

14. Het kind beslist hoeveel het kind wil eten
Het opdringen van eten moet worden afgeraden, ook bij de zogenaamd "slechte" eters. Een aanbeveling kan zijn om bij het bezoek voor de vaccinaties van 12-13 maanden hieraan aandacht te besteden. Andere tips om een "gezonde" eetcultuur te bevorderen (zoals het gaan slapen met de papfles) kunnen meegegeven worden.

15. Het eten van zoetigheden op 2 jaar in de hand houden
Een grote verandering die tussen de leeftijd van één en twee jaar plaatsvindt, is de introductie van zoetmiddelen in dranken en tussendoortjes. Het strekt tot aanbevelen om het gebruik van deze zoetmiddelen in de hand te houden en snoep zeker niet "grijpklaar" te leggen.

« Overzicht zoekresultaten

Volledig artikel

Lees het volledige artikel » (enkel voor leden)

« Overzicht zoekresultaten

 

Evidence based midwifery

Diversiteit en evidence based: een perfecte match?

ja
nee
geen mening

Wil je jouw mening verduidelijken, dan ontvangen wij graag een mailtje op redactie@vlov.be

Nieuwsbrief

Wil je onze tweewekelijkse elektronische nieuwsbrief ontvangen, stuur dan een mailtje naar communicatie@vlov.be

slide show